Geschiedenis Hervormd Bru
Hier kunt u veel informatie vinden over de geschiedenis van onze geloofsgemeenschap.    

Historisch overzicht van de Hervormde gemeente van Bruinisse, met betrekking tot de kerkgebouwen. In het jaar 1452 verwerft Adriaan van Borsele, o.a. Heer van Duiveland van zijn schoonvader, hertog Philips van Bourgondië bij ”octrooi” het recht, om de schorren gelegen beoosten Duiveland te bedijken, pas in 1467 wordt daartoe overgegaan. 

In de"Uitgeefbrief” die dan door de gezamenlijke indijkers wordt getekend wordt bedongen dat “ter eere Gods” in de nieuwe polder een kerk moest worden gebouwd die wordt opgedragen aan Sint Jacob de Minre.In het jaar 1470 verleent de Abt van Middelburg Jan van ’s Gravenzande officieel toestemming tot de bouw van een kerk in Bruinisse, die is gewijd aan den Heyligen Apostel Sint Jacob de Minre. De stichting van Bruinisse is voornamelijk tot stand gekomen door Adolf van Kleef, Heer van Ravenstein die getrouwd was met de weduwe van de inmiddels overleden Adriaan van Borsele. Onder zijn bewind zal waarschijnlijk ook de bouw van de kerk met toren tot stand gekomen zijn, deze werd kennelijk multifunctioneel gebruikt want in de loop van de tijd werd een deel van de kerk tot school ingericht en ook de brandspuit vond onderdak in de kerk. De reformatie kreeg ook op Sch-Duiveland voet aan de grond en kon vanaf 1576 op Sch-Duiveland als gevestigd worden beschouwd, de wankele toestand van ons land leverde zeker op het kerkelijk terrein in die tijd een periode op, van hoop en vrees. 

Pas op de eerste Pinksterdag van het jaar 1590 werd in de kerk van Bruinisse voor het eerst een Avondmaalsviering naar Protestantse opvatting gevierd, deze dienst werd geleid door de eerste predikant van Bruinisse de uit het Vlaamse Ronse afkomstige Remeeus de Monier.Tot ongeveer 1900 heeft het kerkgebouw aan de buitenkant weinig veranderingen ondergaan, van binnen daarentegen, werden als gevolg van de Reformatie, de meeste uitingen van de eerdere godsdienstvorm verbannen en de muurschilderingen onder een steeds dikkere laag witkalk weggewitseld. De laatste stoffelijke restjes Pausdom werden geëlimineerd, maar de jaarlijkse kermis, wat ook werd gezien als een geestelijk overblijfsel uit die periode, kwam pas een eeuw later aan de beurt, en dan alleen nog maar, door haar naar een ander tijdstip te verzetten. Verder werd door diverse verbouwingen, kerkruimte opgeofferd aan, zoals al gezegd de school en de brandweer. Remeeus de Monier schijnt een bijzonder eigenzinnig heerschap te zijn geweest, meerdere malen moest de kerkenraad hem vermanen wat meer bij z’n tekst te blijven en ook wat meer op zijn predikatie te studeren waarna hij evenzoveel keren beterschap beloofde maar spoedig weer in z’n oude gebreken verviel. Bovendien was het voor hem moeilijk de drankfles te laten staan, waardoor ook de hogere kerkelijke instanties zich ermee moesten bemoeien. Uiteindelijk zag de kerkenraad zich genoodzaakt, in 1604 bij de Classis zijn ontslag aan te vragen, wat niet werd ingewilligd. Het jaar daarop overleed de eerste predikant van onze gemeente. 

Een lange rij van predikanten heeft deze gemeente nadien voor kortere of langere tijd gediend. Ds. Gerardus Sevenhuysen b.v. stond hier 45 jaar, vanaf 1758 tot hij in 1803 op 85 jarige leeftijd zijn afscheid preekte, ds. Jacob van `t Hoofd hield het van 1874 tot 1876 met twee jaar al voor gezien. Al met al een indrukwekkende rij met meer of minder kleurrijke personages, die een belangrijke bijdrage hebben geleverd aan het geestelijke klimaat op ons dorp.Tot 1661 waren er in de kerk slechts enkele zitplaatsen voor hoogwaardigheidsbekleders, in dat jaar werd er een groot aantal stoelen en banken geplaatst. Tot 1774 werden in de diensten de berijmde Psalmen van Petrus Dathenus gezongen. Als gevolg van de Franse Revolutie werd er in 1798 door de revolutionairen opdracht gegeven, alle wapens en onderscheidingstekens die zich in de kerk op de graven van adellijke Heren en Vrouwen bevonden te verwijderen, de wapens werden weggebroken en samen met andere marmeren grafversierselen in het water van Riekusweel gedumpt. 

Het wapen van Ambachtsheer van Hertsbeeke werd er later weer uit opgevist en opnieuw ingemetseld. Dit wapen werd na de verwoesting van 1945 ongeschonden terug gevonden en bevindt zich nu in het Bruse Visserijmuseum. Twee andere wapens, die letterlijk weer boven water waren gekomen, van Hoffer en de Cocq, zijn later ingemetseld in de gevel van Kerkstraat nr. 16. Het beheer van het kerkgebouw werd tot 1798 uitgeoefend door kerkvoogden die door de overheid werden aangesteld, maar bij het in werking treden van de nieuwe grondwet in 1794 kwam er ook een scheiding tussen kerk en staat tot stand die tot gevolg had dat het publieke kerkgebouw net voor de eeuwwisseling, met uitzondering van de toren, het eigendom werd van de kerkelijke gemeente. Bij een opknapbeurt in 1816, werden er, volgens S.A. Jumelet, bijbelteksten op de wanden geplaatst. Twintig jaar later werd een aanvraag bij de overheid voor een bijdrage in de kosten van een opknapbeurt, slechts gedeeltelijk gehonoreerd, naaml. voor het deel van de kerk waar de school zich bevond, voor het overige vond de overheid dat ze genoeg had gedaan. 

Tot 1872 werd de kerk met kaarsen verlicht, in dat jaar werden er vier kronen met petroleumlampen aangeschaft, pas in 1930 werd overgeschakeld op elektrische verlichting. In 1887 werd boven de preekstoel een balkon aan gebracht, waarop voor het eerst een orgel in de kerk werd geplaatst, het orgel kostte f 2500,=. Ondanks de kerkelijke afscheidingen in de loop van de negentiende eeuw en meer door de groei van het dorp en het daarmee paralel lopende aantal kerkleden, de kerkelijke gemeente telde toen inmiddels 1700 à1800 zielen en in de kerk waren slechts 500 zitplaatsen, waardoor een gedeelte van de kerkgangers tijdens de diensten moest blijven staan, tengevolge waarvan men de mogelijkheden ging overwegen het aantal zitplaatsen uit te breiden, door de kerk te verbouwen. Marinus Krijger,timmerman/aannemer, en lid van de kerkenraad, bedacht een plan waardoor er 324 zitplaatsen bij zouden komen, ook toen al, kon men niet om de diverse instanties heen, waardoor de plannen werden getorpedeerd, het plan deed, naar men meende, geweld aan de Historische en archeologische waarde van het oude kerkgebouw en kon dus geen genade vinden bij de diverse overheidsinstellingen, talloze lieden als architecten en historici gingen er zich mee bemoeien, die evenzoveel plannen ontwierpen welke dàn weer op financieel dàn weer op historische en architectonische gronden werden getorpedeerd. 

Tenslotte kwam het 10 jaar oude plan van Marinus Krijger zij enigszins gewijzigd, weer op de proppen en het was de minister president Abraham Kuyper, die, de verbouwing uit monumentaal belang betreurde,maar stelde, dat het geestelijke belang van de gemeente daaraan niet mocht worden opgeofferd en daar er geen ander plan werd gevonden wat het probleem van het tekort aanzitplaatsen kon oplossen, zonder het monument te schenden, dat overwegende, de verbouwingsplannen goed keurde.26 maart 1902 vond de aanbesteding plaats, van het gedeeltelijk slopen van de oude kerk en het aanbouwen van het dwarsstuk, waarna de kerk als het ware een T vorm kreeg. Op de muur waartegen preekstoel en orgel werden geplaatst, werd aan weerszijde van de preekstoel een tekstdeel uit Joh.3: 36 aangebracht, Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die den Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien.Zo torende de bijna 500 jaar oude, gedeeltelijk vernieuwde kerk, waarvan het uurwerk en de luidklok het ritme van de dag bepaalden, hoog uit boven ons dorp als vertrouwt baken voor visser en landman. 

Door de 2eWereldoorlog werd die rust wreed verstoord, in 1944 moest de bevolking worden geëvacueerd, en het dorp evenals een groot deel van ons eiland werd onder water gezet. Op 5 januari `45 waren voor Bruinisse de slotakkoorden van de oorlog begonnen, door de geallieerden werd toen een zwaar bombardement op Bruinisse uitgevoerd, de bevolking was geëvacueerd, maar de schade aan huizen en gebouwen was groot, zo moesten ook drie van de vier Bruse kerken het ontgelden, 158 huizen werden geheel vernield, 109 zwaar en 184 licht beschadigd. Het hart was daarmee uit het dorp geslagen, maar de na de bevrijding terugkerende burgers, zaten beslist niet bij de pakken neer, met grote voortvarendheid werd de hand aan de ploeg geslagen en binnen betrekkelijk korte tijd was de puinhoop Bru, weer redelijk leefbaar gemaakt, achteraf des te meer verwonderlijk, daar dragline, bulldozer en shovel, er nog niet aan te pas kwamen, handmatig puinruimen en met kar en paard afvoeren was het devies. De wederopbouwcommissie besloot op advies van Monumentenzorg, dat zeker het oude deel van de Hervormde kerk van Bruinisse, niet in aanmerking kwam voor restauratie en diende gesloopt te worden, het lag toen voor de hand dat ook het zwaar beschadigde aangebouwde deel, met de grond gelijk gemaakt werd. 

De oecumene vierde na de oorlog hoogtij, want daar de Gereformeerde kerk aan de Noorddijk redelijk door het oorlogsgeweld was gekomen, boden de gereformeerde broeders en zusters gastvrij onderdak, om de weekelijkse kerkdiensten te houden, aan zowel de Hervormde gemeente als aan de Gereformeerde Gemeente, jaren achtereen werden er iedere zondag 6 kerkdiensten in de kerk “onder den Diek” gehouden, terwijl de Oud Gereformeerde Gemeente in het Hervormd Verenigingsgebouw samen kwam, we waren toen al zeer praktisch “Samen op Weg”. Naast alle stoffelijke perikelen dreigde onze gemeente ook haar voorganger nog kwijt te raken daar ds. Marsman, een beroep had gekregen van de Hervormde gemeente van Leidschendam en dit aannam. Gelukkig kwam hij kort daarop op zijn beslissing terug, en bleef alsnog in Bru, tot hij in 1949 naar Zuid-Afrika vertrok. Inmiddels was al de beslissing genomen, op de oude plek, een nieuwe kerk te bouwen. Door hogere kerkelijke instantie, waren de Herv. Gemeentes van Dordrecht en Dubbeldam aangewezen als adopterende gemeenten van Bruinisse, ds. Marsman nam in deze gemeentes een paar preekbeurten waar, om de band wat te verstevigen en de nood van Herv. Bruinisse toe te lichten. 

Op advies van de Wederopbouwcommissie was aan architect Prof. Wieger de Bruin, opdracht gegeven een ontwerp te maken, wat bleek geen genade te kunnen vinden in de ogen van de kerkenraad, omdat de moderne vormgeving niet zou passen in ons dorp, een jarenlang gevecht ontstond, over wie de kosten voor dat afgekeurde ontwerp moest betalen, tot de hoogste Kerkelijke instantie uitsprak dat de Herv. Gemeente van Bruinisse, Architect de Bruin f 4.800 moest betalen voor het ontwerp wat niet werd gebruikt. Inmiddels was aan het architectenbureau Rothuizen en `t Hooft uit Middelburg opdracht gegeven een nieuw ontwerp voor kerk en pastorie te maken, hierover kon men het op redelijk termijn eens worden, waarna de aanbesteding van de pastorie spoedig volgde, deze werd gebouwd door de plaatselijke aannemers  firma Simon de Graaf. Inmiddels had de jonge predikant ds. v/d Brink zijn intrede gedaan, op 26 november 1950 werd hij in de toen pasgebouwde kerk van de Gereformeerde Gemeente bevestigd als de nieuwe Herv. Predikant van Bruinisse. Veel gebeurtenissen en beslissingen moesten onder zijn leiding worden genomen, met als resultaat dat in maart 1951 het contract met aannemer Proper kon worden getekend, deze firma verplichtte zich voor ruim f 212000,= het Kerkgebouw met consistorie te bouwen. Hierna vond spoedig de eerste steen legging plaats door ds. v/d Brink. De financiering was rond gekomen doordat  f 108.000,= oorlogsschade werd uitgekeerd, de Herv. Gemeente van Dordrecht droeg als adoptiegemeente f 70.000,= bij, het overige werd uit eigen middelen, giften van particulieren en andere instellingen gefinancierd. De Herv. Gemeente van Dubbeldam droeg f 5.000,= bij aan de bouw van de nieuwe pastorie.De bouw ging voorspoedig, diverse plaatselijke aannemers leverden als onderaannemer een bijdrage in dat spoedige verloop, de fa. Roukema, Jansen en Verschuur, maakten de banken en de preekstoel, Smederij Kesteloo maakte de lichtkronen, die bij een recentelijk renovatie zijn vervangen door de huidige lichtkronen, S.A. Jumelet verzorgde de electrische installatie.Een bijzondere vermelding waard vind ik de gebrandschilderde ramen, die werden geleverd door de Fa.Korteweg uit Dordrecht. 

De wat opvallende vorm van de preekstoel, houd verband met het akoestisch rapport wat door prof. Fokker werd opgesteld, de kerk was tamelijk groot en de predikant moest zich zonder geluidsinstallatie ook achterin hoorbaar maken.5 April 1952 kon de kerk worden ingewijd, vandaag precies 50 jaar geleden, in een vreugdevolle dienst stonden diverse sprekers stil bij de toedracht en het gebeuren, de tekstwoorden voor de preek die ds. v/d Brink in die dienst hield waren uit Lucas 10:42 , waar Jezus tot Marta, die zich over zoveel dingen bekommert, zegt: “Eén ding is nodig”, duidend op Maria, die aan de voeten van Jezus luisterde, naar wat  Jezus te zeggen had.Ten tijde van deze inwijding was er nog geen kerkorgel geplaatst, dat zou in overleg met de orgelbouwer pas later plaatsvinden, met het oog op het hoge vochtgehalte in een nieuwe kerk. Daar nog geen jaar later, ten gevolge van de Watersnoodramp van 1953, het water in de kerk ruim een meter hoog stond, bleek dat een zeer goede beslissing te zijn geweest. 

Pas 9 oktober 1954 werd het nieuwe orgel in gebruik genomen, in een speciale daartoe belegde dienst waarin ook ds. v/d Brink voorging, hij las bij deze gelegenheid de Lofpsalm 148. Vele sprekers wensten de Herv. Gemeente van Bruinisse geluk met het prachtige door de gebr. Van Vulpen ontworpen en gebouwde orgel. Het kerkbestuur had met de aanschaf van dit orgel wel enige durf getoond, het was mooi, het was groot, het was toen uniek, maar er hing ook een prijskaartje aan, zo zelfs dat de kerkvoogdij eerst nog geaarzeld had, maar een half orgel te kopen, gelukkig is het daar niet van gekomen doordat op een speciaal belegde gemeenteavond, de gemeente koos voor een volledig orgel, voor de prijs van ruim f 36.000,=. Het orgelfonds werd in het leven geroepen en de financiering werd in vertrouwen tegemoet gezien. Na de spekers werden door enkele landelijk bekende organisten, diverse werken van Bach en anderen, ten gehore gebracht, waarmee alle mogelijkheden van het orgel letterlijk uit de kast werden gehaald, waarna ds. v/d Brink het orgel namens de kerkenraad aanvaardde en de dienst besloot met een dankgebed. Als slotlied van de dienst werd op een indrukwekkende manier door onze organist Jo v/d Berge Psalm 150 ten gehore gebracht. In 1997 werd aan de kerk groot onderhoud en restauratiewerk gedaan, waarbij ook het orgel een grote restauratiebeurt onderging en naar wij hopen weer jarenlang de gemeentezang, als lof aan onze God zal mogen begeleiden. 

Geachte toehoorders, ik heb geprobeerd u middels dit historisch overzicht, een indruk te geven van het ontstaan en de geschiedenis van onze Hervormde gemeente, een geschiedenis waarin hoogte en dieptepunten elkaar afwisselden, een geschiedenis waarin zich ook het leven van de christelijke gemeente heeft afgetekend en waarop we als gemeente in dankbaarheid mogen terugzien en waaruit we mogen leren beseffen, dat we met Gods hulp, ook de toekomst met hoop en verwachting mogen tegemoet zien, hopende dat de prediking in deze kerk zal mogen worden voortgezet, in de geest zoals genoemd door Adriaan van Borsele in de “Uitgeefbrief” van 1467: Ter ere Gods.

Rede uitgesproken door ouderling W. Okkerse, namens de kerkvoogdij van onze gemeente, ter gelegenheid van het feit dat het vijftig jaar geleden is, dat het kerkgebouw in een feestelijke dienst werd overgedragen aan de kerkvoogdij van onze gemeente. Uiteraard moest er voor dit historisch overzicht teruggevallen worden op publicaties van verschillende personen. Van mevrouw Ir. Van Holthe tot Echten, mocht er zelfs beschikt worden over een studie aangaande de hervormde kerk van Bruinisse, die nog niet is gepubliceerd, en op het boek “Bruinisse in de loop der eeuwen” van de hand, van de reeds overleden S.A.Jumelet, bovendien heeft dhr. B. de Groot uitstekend geholpen met het boven water krijgen van diverse wetenswaardigheden uit het kerkelijk archief, waarvoor hartelijke dank.